22 mei 2019 

“Innovatie is onze gemeenschappelijke deler. Net als de wil om samen te werken. Dat zit u allen in het bloed.” Staatssecretaris Barbara Visser sprak gister in Wassenaar voor een ondernemend publiek. Haar toehoorders waren bestuursleden van grote Amerikaanse bedrijven in Nederland en Nederlandse ondernemingen met belangen in de Verenigde Staten.

Volgens Visser vraagt de veranderende veiligheidsomgeving om nieuwe oplossingen, met nieuwe technologie als onmisbaar element. Defensie heeft inmiddels ook weer financiële ruimte om te investeren in kennis en innovatie. Dat geld wordt ook gebruikt om te onderzoeken of technologie echt werkbaar is en om dreigingen van de toekomst het hoofd te bieden.

Creativiteit, kennis en lef

“Net als bij u heeft innovatie voor Defensie prioriteit.” Visser zei daarbij te geloven in de kracht van samenwerken. Defensie weet wel hoe ze het land moet verdedigen, stelde ze. Maar ondernemers hebben volgens haar net dat stukje creativiteit, kennis en lef dat helpt potentiële tegenstanders nóg slimmer af te zijn. “Wij hebben uw capaciteiten nodig.”

Als aansprekend voorbeeld noemde Visser de operationele testfase van de F-35. De Koninklijk Luchtmacht, Verenigde Staten, Groot-Brittannië én industrie ontwikkelen het toestel samen verder. Een voorbeeld op kleinere schaal is Delft Dynamics, winnaar van de laatste Defensie Innovatie Competitie. Het bedrijf ontwikkelt momenteel een prototype U-drone dat onder meer informatie onder de grond verzamelt.

Industrie versterken

Het kabinet wil sowieso Nederlandse bedrijven laten groeien in militaire kennis en technologie. Andersom zoeken de Verenigde Staten nieuwe betrouwbare leveranciers om hun industriële basis minder afhankelijk maken. Visser ziet dan ook mogelijkheden om elkaar te vinden in deze unieke sector.

Uitdaging voor gezamenlijke veiligheid

“Laat geen kansen liggen en werk samen met Defensie”, besloot ze haar betoog. “Zie de soms ongrijpbare procedures als een uitdaging. Voor onze gezamenlijke veiligheid, gezamenlijke economie en ons hechte bondgenootschap.”